Van Gogh verhuisde naar Arles, in de hoop daar een toevluchtsoord te vinden op een moment dat hij ziek was van de drank en leed aan rokershoest. Hij arriveerde op 21 februari 1888 en nam een kamer in het Hôtel-Restaurant Carrel, waarvan hij in zijn idealisme had verwacht dat het eruit zou zien als een van de prenten van Hokusai (1760-1849) of Utamaro (1753-1806).
Kennelijk zou hij naar Arles verhuisd te zijn met het idee er een utopische kunstkolonie te stichten. De Deense kunstenaar Christian Mourier-Petersen (1858-1945) werd zijn metgezel voor twee maanden, en aanvankelijk vond Van Gogh Arles exotisch en vuil. In een brief beschreef hij het als een vreemd land: "De zoeaven, de bordelen, de schattige kleine Arlesiennes die naar hun eerste communie gaan, de priester in zijn soutane, die eruit ziet als een gevaarlijke neushoorn, de mensen die absint drinken, het lijken mij allemaal wezens uit een andere wereld". Honderd jaar later herinnerde de 113-jarige Jeanne Calment - die als 13-jarige werkte in de stoffenwinkel van haar oom, waar Van Gogh wat canvas wilde kopen - zich Van Gogh als "vies, slecht gekleed en onaangenaam", en "erg lelijk, onhoffelijk, onbeleefd, ziek". Ze herinnerde zich ook dat ze hem kleurpotloden verkocht.
Van Gogh was verrukt door het plaatselijke landschap en het licht en in zijn werken uit deze periode zien we vooral geel, ultramarijn en mauve. De manier waarop hij het landschap rond Arles weergeeft is beïnvloed door zijn Nederlandse opvoeding: de lappendeken van velden en lanen lijken vlak en missen perspectief, maar ze zijn bijzonder intens van kleur. Hij vond het levendige licht in Arles fantastisch en deze nieuwe ervaring is duidelijk in het bereik en de reikwijdte van zijn werk.